Thuis
Nederlands voor beginners: eerste woorden · Dutch · Woorddictee · Les 1
- huis n.: Een gebouw waarin mensen wonen.
- keuken n.: Een ruimte waar je eten klaarmaakt.
- tafel n.: Een meubel met een blad waarop je dingen zet.
- stoel n.: Een meubel met een rugleuning voor één persoon.
- bed n.: Een meubel waarin je slaapt.
- deur n.: Een beweegbaar deel dat een doorgang afsluit.
- raam n.: Een opening met glas die licht binnenlaat.
- badkamer n.: Een ruimte waar je je wast, doucht of een bad neemt.
- bank n.: Een zitmeubel voor meer mensen; een geldinstelling.
- lamp n.: Een voorwerp dat licht geeft.